Hasta Luego!!!
Brrrrr, het is winter in Argentinie. Ook al dachten we na ruim 6 weken op hoogte gezeten te hebben eindelijk weer eens in een de korte broek aan te kunnen, het werd toch weer een trui en jas. We komen het noorden van het land binnen in het plaatsje Tilcara. Hoewel het enigszins een ‘cowboydorpje' is merk je meteen een groot verschil met Bolivia. Chique winkeltjes en restaurantjes met live muziek sieren het straatbeeld in het centrumpje. We vervolgen onze weg naar Cafayate dat midden in een wijnregio ligt. Flip huurt een dag een fiets waarbij na 12 kilometer de versnellingen ermee stoppen en nog 2 km later de hele trapper eraf vliegt. Een lange wandeltocht terug. In de drie dagen op de camping (we zijn de enige) zijn er zo'n 9 flessen wijn doorheen gegaan en hebben we 2 bodega's bezocht. Na een vruchteloze poging om te gaan liften (de bussen zijn hier erg duur) en wat tussenstops komen we in Salta aan. Salta zal voor altijd in ons geheugen gegrift staan om restaurant el viejo Jack, waar we de lekkerste steak bife chorizo (600 gram) gegeten hebben. Door naar Tucuman, een andere grote stad waar we een paar dagen blijven en vrijkaartjes krijgen voor een discotheek, die pas om half 2 zijn deuren opent. Alles start sowieso laat in Argentinie; lunch is tussen 2 en 3 en als je 's avonds om tien uur aan tafel zit ben je er vroeg bij. Na het weekend door naar Cordoba, wat na Buenos Aires de grootste stad is en heeft een perfecte binnenstad om te winkelen. Met nog maar 2 weken te gaan een ideale plek om de kledingkast (of zak) een goed door elkaar te schudden. We komen ongeveer tegelijk aan met de voetbalploeg die de dag ervoor River Plate (Ajax van Argentinie)verslagen heeft en zodoende gepromoveerd is naar de hoogste divisie. Mooi om tussen de feestende mensen te staan. Op zaterdagavond hebben we met 20 mensen een asado (BBQ) in het hostel, die rond half 1 's nachts begint. Een erg gezellige onderneming waardoor het geplande stapavondje er niet meer inzat.
Na 21 uur bussen komen we aan bij het laatste hoogtepunt van de reis, de Iguazu watervallen. Doorgaans is het hier bloedheet, maar wij komen aan in de koudste maand en warmer dan 10 graden is het niet. We zien zowel de brazilaanse als de argentijnse kant en beide vinden we zeker de moeite waard. Het geluid van al dat water is erg overweldigend en we waren best trots op wat moedertje natuur allemaal kan. Doordat het water zo hoog stond konden we helaas niet naar het eilandje San Martin dat tussen de watervallen ligt. Verder zeggen foto's meer dan woorden dus laten het hier maar bij.
Via Paraguay reizen we naar onze eindbestemming Buenos Aires. De 1e stad in Paraguay komt met stip op 1 in het lijstje met lelijkste en onbehagelijke steden tijdens onze reis. We dachten wel wat mooiers te vinden in Encarnacion, een stadje met de bijnaam ‘de parel van het zuiden'. Helaas haalde het in geen enkel opzicht bij onze nederlandse parel waardoor we snel in Buenos Aires zaten. Hier doen we het rustig aan en bezoeken de verschillende bekende wijken per fiets, metro en te voet. Via een Kultour leren we veel van de figuurlijk rijke historie van dit land en de problemen die er waren en nu zijn. We pakken een tangoshow mee, maar niet voordat we zelf een uurtje les hebben gehad. En dan is het zover, de laatste avond. We kunnen maar moeilijk afscheid nemen en gaan uiteindelijk om half 2 ‘s nachts naar bed om 2,5 uur later de taxi naar het vliegveld te stappen.
De lange vlucht zit er inmiddels op en na een warm onthaal in Brussel en een lekker weekend in Goes hebben we ons huisje weer zo goed als kan ingericht. Ons bereiken is alleen nog wat lastig, Flip heeft nog geen telefoon en Ine heeft 3x de verkeerde pincode ingetikt.....Maar de koffie staat klaar dus val gerust eens binnen op de middellaan maar een mailtje sturen kan natuurlijk ook ;-)
Ontzettend leuk dat jullie ons zo gevolgd hebben en bedankt voor alle reacties en de leuke kaartjes die op ons lagen te wachten bij thuiskomst.
Tot de volgende reis!!!!!
7 dagen op en neer met Alejandro en Alberto
Voor de 3e ochtend op rij gaan we vroeg naar het busstation in Puno om te kijken of we dit keer wel de grens over kunnen. Blijkbaar zijn de stakingen uitgebreid en kunnen we alleen nog met de boot vanuit Puno over het Titicacameer naar de grens met Bolivia. Ergens achteraf stappen we met zo'n 20 man een bootje in en 10 uur later komen we in donker en vrieskou aan bij de grens; dat wil zeggen, vlak bij de kust komen er wat roeibootjes aan waarin we met bagage overstappen. Na 5 minuten roeien stappen we uit om zonder licht over wat stenen die ze in het water hebben gemikt naar vaste grond te lopen (het woord titanic valt regelmatig). Na 10 minuten lopen bereiken we de grens van Peru en 10 minuten later die van Bolivia. Die is echter al gesloten, maar na flink aandringen mogen we toch Bolivia in. Als we uiteindelijk met een minibusje aankomen in Copacabana (nog steeds Bolivia, niet Brazilie) blijken de bergschoenen van Ine op de boot gejat ( met 3 dubbele knopen vastgemaakt aan de backpack). Altijd leuk die grensovergangen... De volgende dag gaan we snel naar Isla del Sol, een eiland gelegen in het Titicacameer op 3800 meter. Na wat fotootjes schieten en rondlopen, kamperen we op een strandje in het noorden van het eiland. De volgende dag lopen we naar het zuiden om te merken dat we net te laat zijn voor de ochtendboot en nog eventjes 4 uur moeten wachten op de volgende boot. Toch raken we 's avonds laat nog in de hoofdstad La Paz.
Iedereen die al wat langer door Zuid Amerika reist en steeds dichterbij Bolivia komt, hoort de verhalen al wel van andere Nederlanders. En dan uiteindelijk, na vele weken geduld kom je aan in La Paz. Met een stadsmap als gids kom je dichter en dichterbij en kan je em al bijna ruiken. Binnen in het restaurant sla je de menukaart open en jawel, de verhalen zijn waar!!! En even later heb je em voor je liggen....een echt broodje kroket!!!! In Nederland zo gewoon, maar na 11 maanden smaakt het als een heus culinair hoogstandje. En zoals we in Nederland op zondag met die kroket en friet om 7 uur met het bord op schoot naar voetbal kijken, in Bolivia doen ze dat iets geemancipeerder. Met een zak popcorn en een colaatje zitten we in een grote gymzaal om het vrouwenworstelen te aanschouwen. Het is niet het echte worstelen maar van dat enorm slechte acteerwerk dat je vast wel eens op televisie gezien hebt met corrupte scheidsrechters en interactie met het publiek. Bij de Boliviaantjes gaat het er in als zoete koek en ook voor ons is het leuk vermaak.
Met 20 kilo eten in een boodschappentas komen we aan in Sorata, een klein dorpje ten noorden van La Paz en startpunt van vele trekkingen door de bergen. We kiezen een 8-daagse route genaamd illampu-circuit, een rondje van 106km rond de berg Illampu (6350m). We nemen Alejandro (gids) mee voor de route en Alberto (ezel) voor het dragen van de bagage. De 1e dag stijgen we van 2700m naar 4200m, komen nog langs Alejandro's huis en hebben vrij leuke uitzichten. Minder leuk is dat halverwege de dag de camera, na al enkele weken kuren gehad te hebben, ermee blijkt te stoppen. Raar genoeg werkt de videofunctie nog wel en introduceren we de term ‘video-foto' , een video van 3 seconde (genoeg tijd om hem op pauze te zetten). De 2e dag lopen we over de rotsen in dichte mist naar Lago Glaciar op 5050m hoogte. Slechts enkele keren klaart het voor een paar minuten op en zie je jezelf ineens tussen de hoge bergtoppen lopen. Acht dagen niet wassen en niet naar de wc kan natuurlijk niet, dus wassen we ons in het ijskoude water van de meertjes of riviertjes en de wc is overal waar een redelijk hoge rots is. Rond half 7 gaan we meestal de tent in omdat het zonder zon buiten gewoon veel te koud is. Koken doen we zelf op een gasbrandertje (en 1x op hout, we hebben een beetje te weinig gas meegenomen) en meestal wast Alejandro af. We protesteren niet want wat is dat water koud! Dag 3 moeten we een hele steile bergpass over met losliggend grind, niet de hoogste maar wel de zwaarste pass. Als Flip met een luide kreet laat horen dat hij boven is, is dat zo schrikken voor 2 condors dat ze zich uit de figuurlijke voeten maken. Voordat we de 5e dag een mijnwerkersdorpje passeren (met ongeveer 20 borden waarop staat dat buitenlanders ‘tol' moeten betalen) gaan Flip en Alejandro nog een berg op om een hogergelegen meer te bekijken. Rond het meer grazen meer dan honderd lama's en met op de achtergrond de besneeuwde bergtoppen had het een hele mooie foto geweest. De 6e dag zou de zwaarste moeten zijn met een pass van 5200m. De uitzichten geven echter veel energie. Die nacht slapen we op de hoogste plek, 4750 meter. Dat het erg koud is merken we in de ochtend als de fles water die in de tent ligt bevroren is. Op de 7e en uiteindelijk ook laatste dag zetten we zonder te ontbijten onze tocht voort (te koud). Om 10 uur komen we bij een hot spring en hebben we ontbijt/lunch. Onderweg hebben we nog een mooi uitzicht op het titicacameer en vangen we een hagedis voor de zoon van Alejandro, die een half jaar geleden zijn been heeft gebroken en het eten van hagedissenpoten zou het bot sneller doen helen (voor een oparatie van 1000 dollar zijn ze aan het sparen). Als we om half 3 aankomen op de plaats waar we de tent gaan zetten vragen we hoe lang het nog terug is naar zijn huis (vanuit daar is het 20 min met de taxi naar Sorata). Het antwoord is nog 4 uur en aangezien het laatste gedeelte over een weg is besluiten we maar door te lopen. Waar we echter geen rekening mee hebben gehouden is dat onze Alejandro zo graag naar zijn vrouw wil dat een leugentje snel gemaakt is. Na 5,5 uur non-stop door racen komen we om 8 uur aan bij zijn huis (sinds 10 uur niks gegeten) en zijn we toch wel redelijk pissig om dit laatste ‘trucje', wat toch wel een smetje is op de verder 6,5 dag voortreffelijke tijd. Het zwaarste van deze trip was niet zo zeer het klimmen maar meer de slapeloze nachten door kou en harde ondergrond. Het paradoxale is dan wel dat je in de 7 dagen helemaal tot rust komt, ondanks het klimmen en dalen en de lange nachten.
Na een dagje de zere voeten te laten rusten in La Paz en een bezoekje aan het cocamuseum gaan we door naar Coroico, ook een klein plaatsje boven La Paz met een hoogte van 1700 meter en een aangenamer klimaat. We kamperen bij sol y luna, een hotel/campsite net buiten Coroico. Hoewel hier ook voldoende activiteiten te doen zijn houden we het bij bbq-en bij de tent, veel wijn drinken en roland garros kijken bij een nabij gelegen hotel (na 2 uur rondvragen in het dorp bleek dit hotel als enige de juiste kabeltv te hebben). Helemaal uitgerust vertrekken we dan ook voor een 15 durende busreis met overstap naar Sucre.
Ook Sucre heeft een aangenaam klimaat en blijkbaar houden Nederlanders daarvan. Er zijn minstens 5 nederlandse winkels en reisbbureautjes te vinden. Helaas is zowat alles dicht als we aankomen maar gelukkig kan Flip ergens zijn inmiddels 5e zonnebril van de reis aanschaffen (hij leidt nu met 5-4). Na een vruchteloze poging om de camera te laten maken bezoeken we een dinopark waar sporen van dinosaurussen te zien zijn. Deze sporen staan op een wand, die naar het schijnt door aardverschuivingen verticaal is komen te staan. Van zo'n 50 meter kan je dan via een verrekijker de dinosaurussporen aanschouwen (maar als je zegt dat het van een olifant is of een afdruk van een bil geloven we het ook). Niet erg indrukwekkend en dus ook niet zo erg dat we pas na dit park een nieuwe camera aanschaffen om deze in Potosi te gaan testen.
Potosi is naar men zegt de hoogste stad ter wereld met een hoogte van 4065 meter. Honderden jaren geleden was deze stad groter dan bv Parijs, maar nu de mijnen (de belangrijkste inkomensbron en allen in slechts 1 berg) niet meer zo rijkgevuld zijn heeft de stad nog geen 200.000 inwoners, waarvan er nog steeds zo'n 15.000 in de mijnen werken. Deze mensen werken 10 tot 24 uur per dag in de mijn, 6 dagen per week. Flip gaat een ochtendje mee met een Canadees en een gids. Na eerst wat kado's; cocabladeren, whisky boliviana 96% alcohol en een flesje sap gekocht te hebben (het enige wat ze in de mijn consumeren, dus geen eten) lopen we een uur later in vol ornaat de mijn in. We bezoeken een aantal mijnwerkers op verschillende niveaus in de mijn (tot 600 meter ver) en Flip houdt het welgeteld 30 seconde uit om met een drilboor wat arbeid te leveren. De hoeveelheid stof is in deze ruimte echt overweldigend. We rusten uit door een uurtje met ‘Mike Tyson' te praten en te drinken. Iedereen in de mijn heeft een bijnaam en ‘Mike' heeft deze gekregen doordat hij vooral met een hamer zijn werk doet (Flip wordt ‘el sergeante genoemd en Darryl ‘Harry Potter'). Mike legt de gewoontes binnen in de berg uit en het valt vooral op dat veel mijnwerkers in zowel een god als de duivel geloven. Voordat je drinkt gooi je 2x wat druppeltjes op de vloer, 1x voor pachamama (moeder aarde) en 1x voor el tio (de duivel) zodat ze je goed gezind zijn en er geen ongelukken gebeuren. Bij elke ingang staat ook een standbeeld van el Tio, versierd met slingers, coca, sigaretten en flesjes drank. Op de muur eromheen zie je klodders lamabloed, die 2x per jaar worden geofferd (dat alles voor veel zilver en geen ongelukken). Frappant is dat ze allemaal weten dat el Tio is gecreerd door de spanjaarden in de tijd dat deze de locale bevolking in de mijn tewerkstelden. De localen geloofden in meerdere goden en zodoende maakten de spanjaarden poppen van klei en zeiden dat dit de god van de berg was. En natuurlijk, als je niet luisterde en werkte werd de god boos met alle gevolgen van dien. Met een wang vol coca en een buik vol whisky boliviana komt Flip terug in het hostel verslag doen.
Met een ex-mijnwerker zijn we in Potosi een avondje gaan stappen en dat doen ze daar niet half. De busrit naar Tupiza, onze laatste stop in Bolivia is daarom met maar een paar uurtjes slaap een taaie. Tupiza zelf is een klein dorpje omgeven door rotsformaties en een alternatief startpunt voor een tour over de zoutvlaktes. De 4 daagse tour naar de zoutvlaktes brengt ons door onwerkelijke landschappen. Aangezien de gids geen engels sprak en Ine en onze mede-jeepgenoten Debby en Catherine geen Spaans kreeg Flip de rol als vertaler toebedeeld waardoor hij een plekje voorin de jeep bemachtigde. Naast rotslandschappen zien we meren in vele kleuren, geisers, vulkanen en uiteraard de zoutvlakte. De panoramafunctie van de nieuwe camera kwam hierbij uitstekend van pas. Het waren lange dagen in de jeep en ochtenden waarin we vroeg moesten opstaan maar dat namen we graag voor lief. Helaas waren we allebei de laatste dag op de zoutvlaktes ziek, maar we hebben de vlakte wit kunnen houden...
We kunnen niet meer zo veel foto's op de website zetten, maar heb je een maandagochtenddip of ben je nog met vakantieplannen bezig, kijk dan op onze flickrsite (zie link hiernaast) voor wat ideetjes. Ook kan je daar de panorama foto's op ware grootte bekijken.
Zo is er al weer een dikke maand voorbij en zal het volgende verslag over Argentinie het laatste zijn. Onze vlucht naar huis is 15 juli a.s. vanuit Buenos Aires dus tot al heel binnenkort!
Arequipa en Cusco
Aangekomen in Arequipa nemen we onze intrek in Arequipay Backpackers hostel; een luxe villa in een wooncomplex aan de rand van de stad en onze uitvalsbasis voor de komende 2 weken. Bij aankomst slaan we weer het nodige eten in, dit keer voor een trekking in canyon de colca, de op 1 na diepste kloof ter wereld. De volgende dag vertrekken we met de bus naar Cabanaconde (stadje op 3800m vanwaar je de kloof in kan), een 7 uur durende rit door een al indrukwekkend landschap. 'S Avonds mogen we onze tent opzetten in de tuin van een hostel en mogen zelfs binnen in de bar ons gasbrandertje gebruiken om te koken.
Er zijn verschillende routes te bewandelen in de kloof. Wij kiezen ervoor om de minder bewandelde route richting Llahuar te nemen. Om 7 uur ‘s ochtends hebben we alles ingepakt en zijn klaar om te lopen. 5,5 uur lopen (vooral afdalen) en tal van mooie uitzichten later komen we aan in Llahuar. Dit plaatsje ligt in de kloof aan de rivier en bestaat eigenlijk maar uit twee families (5 huisjes), allebei met een hostel. Als de tent weer staat genieten we van het ijskoude water in de rivier (goed voor biertjes koud te krijgen) en de warme hot springs die bij het hostel horen. Als het donker wordt en er honderden sterren aan de hemel staan terwijl de buitentemperatuur snel daalt, is zo'n hot spring met een inmiddels koud biertje wel optimaal genieten.
We trekken 's ochtends nog maar een keer de zwemkleren aan om in het warme water te ontbijten, waarna het toch echt tijd is om door te gaan. We starten met een aardige klim en na nog wat meer klimmen en dalen en twee dorpjes verder komen we rond half 4 in Oase aan. Om 8 uur duiken we al de tent in en we vragen of we wakker gemaakt kunnen worden rond 2 uur in de ochtend, voor de steile klim (1100 meter) terug naar Cabanaconde. Blijkbaar hebben ze hun hond de opdracht gegeven om ons wakker te maken, want stipt om 2 uur begint ie 5 minuten lang te blaffen (we zien verder niemand). Een uur later zetten we met allebei een amateuristisch zaklampje in de hand de lange weg omhoog in. Al na een uurtje begeeft 1 van de zaklampen het , degene die je electrisch moet opladen en theoretisch 6 branduren heeft en in praktijk blijkbaar maar de helft. De sterren geven niet genoeg licht om zonder te lopen en met z'n tweeen 1 zaklamp is niet ideaal. We worden dan ook ingehaald door een oude man en vrouw met wat ezels, erg goed voor de moraal. Rond half 6 is het licht genoeg om zonder lamp te lopen en te zien hoe hoog je zit. Uiteindelijk komen we rond 6.15 vermoeid maar voldaan boven. Het enige wat we dan nog niet van de regio gezien hebben is ‘Cruz del Condor', een uitzichtpunt langs de weg waar tussen 8 en 9 's ochtends condors te zien zijn. We hebben om 7.45 een bus naar Arequipa en hebben eigenlijk niet zo veel zin om uit te stappen op deze plaats, omdat je dan een uurtje of 2 op de volgende bus moet wachten. Het verbaasd ons dan ook dat de bus stopt bij het uitzichtpunt (en we 15 minuten later moeten rennen omdat ie weer wegrijdt) zodat we hier 2 condors en 200 toeristen kunnen spotten. Een stukje verder vliegen er echter 5 vlakbij de weg en ook hier stopt onze chauffeur weer, (waarschijnlijk voor ons want verder zitten er alleen een paar peruanen in de bus) om deze vogels te bewonderen. We zijn hem erg dankbaar.
Terug in Arequipa bezoeken we het kloostercomplex Santa Catalina wat midden in de stad staat maar een dorpje op zich is. Geheel afgesloten van de stad door hoge muren (200 bij 100 meter) woonden hier vroeger nonnen die geen stap buiten deze muren zetten en ook geen bezoek mochten ontvangen (er werd gecommuniceerd door een houten raam in een van de muren). Na deze culturele uitspatting voelen we ons als astronauten nadat we ons verkleed hebben voor een uurtje raften op de rio chili. Chili betekent in de lokale taal (Quechua) koud en vandaar ook de wetsuit, regenpak, waterschoenen en een zwemvest en helm voor de veiligheid. Niet geheel onterecht want Flip kiepert er bij een van de stroomversnellingen uit, om na een paar keer kopje onder weer opgevist te worden. Verder gebruiken we het weekend om ons voor te bereiden op de trip naar Cotahuasi, waar de diepste kloof van de wereld ligt.
Cotahuasi ligt op zo'n 370km van Arequipa, zo'n 10 uur rijden door een prachtige omgeving. Helaas gaan er alleen bussen om half 5 in de middag dus zie je hier helemaal niets van. We komen dan ook op de gemakkelijke tijd aan van 3 uur in de ochtend. Gelukkig is het een week lang feest in Cotahuasi en staan er ongeveer 300 man te dansen in de stierenvechtarena. Wij nemen op de tribune plaats en nemen een vroeg ontbijt. We besluiten niet mee te dansen (iedereen is enorm dronken) en zoeken een plekje om te slapen. Een kleine zoektocht verder blijkt dat alle 8 de hotels vol zitten, maar voor een bescheiden bedrag mogen we er bij 1 ons tentje opzetten in het restaurantje. Dit blijkt nog een lastige opgave aangezien we tot de ontdekking komen dat de elastieken van onze tentstokken gescheurd zijn. Eerst vermoeden we sabbotage maar we houden het er toch maar op dat het zand van Huacachina in de stokken is gaan zitten en dit na wat wrijving het resultaat is. Na 3 uur slaap pakken we de spullen weer in en vertrekken we richting Quechualla, 38km verder en het diepste punt van de kloof. Er gaat 1 busje per dag naar een punt 20km verderop (daar stopt de weg) en deze hebben we gemist. We lopen flink door en het landschap is erg woestijnachtig en droog. Na 4 km lopen krijgen we een lift wat ons weer 7km lopen scheelt. Nog 7km verder lopen komen we bij Sipia, een waterval die de rivier in 2 etappes 150 meter lager brengt. Hier loopt de kloof echt loodrecht naar beneden. We vervolgen onze weg door droog en dor landschap, niet zo fijn als je watervoorraad op is. Na een kilometertje of 5 staat er een huisje aan de weg waar ze drinken hebben. We kopen een fles Inka Kola en krijgen er chicha (rijstdrankje) en wat appels bij. Vol goede moed lopen we door en komen uiteindelijk op het punt waar de weg stopt. Na eerst verkeerd te zijn gelopen, dalen we af in een kloof om vervolgens een half uurtje te klimmen tot een dorpje Velinga. Het dorpje bestaat uit zo'n 50 huisjes van rotsstenen gemaakt. Het dorp lijkt verlaten en alle huisjes zitten op slot. Gelukkig treffen we op het dorpsplein 2 dronken bewoners aan. Nagenoeg iedereen van het dorp blijkt naar Cotahuasi te zijn voor het feest. Op de vraag of we ons tentje ergens kunnen neerzetten en of er ergens water te krijgen is, krijgen we als antwoord een roestige beker met wijn voorgeschoteld. Na een gezellige borrel zetten we onze tent ergens op een binnenplaatsje op (vermoedelijk van een schooltje of iets). Gelukkig is er nog 1 persoon in het dorp waarvan we een biertje en een fles fris kunnen kopen. Water drinken we maar uit de rivier. De volgende dag staan we zonder wekker om 4 uur op (jaja het went) en lopen we met opgeladen zaklampjes verder de kloof in. De reden van dit vroege vertrek is omdat om 9 uur de enige bus vertrekt op het eindpunt van de weg, terug naar Cotahuasi (waar we toch wel willen zijn met het feest). Uiteindelijk halen we Quechalla niet maar zijn we toch een aardig stuk in de kloof geweest. In de bus ontmoeten we Marcio en Diego. Marcio is al 17 jaar gids in dit gebied en staat nogal raar te kijken als we zeggen dat we zonder gids zijn. Diego komt uit Lima en is 2 maanden lang zijn land aan het verkennen. Terug in Cotahuasi bekijken we 's middags het paardenracen en stierenvechten samen met Marcio en Diego. De arena zit met zo'n 3000 man geheel vol en gelukkig blijven de stieren ongedeerd. Van wat er later die avond verder gebeurd kunnen we ons niet alles meer herinneren maar er ging heel veel wijn (wat geserveerd wordt in waterflesjes van 625ml en wat meer op port lijkt) en bier doorheen. Twee oude dorpsmannen beweren dat Peru in (jawel) 1970 tijdens het WK voetbal een 3-0 achterstand tegen Nederland heeft omgebogen in een 4-3 overwinning (via google komen we te weten dat het 3-2 tegen Bulgarije was), een andere beweert Nederland goed te kennen omdat hij een jaar in Aruba heeft gewerkt (hoewel hij ook regelmatig Houston als stad noemt) en een ander vraagt Ine ten dans. Uiteindelijk dalen we af in de ring zelf om met hele families in een kring rond bierflesjes te dansen. Een topavond! De volgende dag bezoeken we nog het dorpje Alca, maar zijn we vooral geinteresseerd in de geneeskracht (hoofdpijn!) van de thermal baden van Luicho. De nachtbus terug naar Arequipa is een hel; enorm krappe bus en gangpad vol met mensen die geen plaats meer hadden.
Het weekend terug in onze vertrouwde villa gebruiken we om te bbq-en in de tuin en een drankje in de stad te doen met Diego en Marcio. Zondagavond is de nachtbus naar Cusco.
Cusco ligt op 3500 meter hoogte en heeft in de zon een lekker klimaatje maar als de avond valt is het behoorlijk koud. Het stadje zelf is mooi om doorheen te lopen met smalle straatjes en eetcafeetjes met heerlijke menu's. Maar een bezoek aan Cusco staat vooral in het teken van Machu Picchu. We besluiten het deze keer fysiek op de makkelijke manier te doen, dus geen trail. Doorgaans wordt de site bereikt via een trail of met de trein vanuit Ollantaytambo. De prijs van de trein schrikt ons nogal af (300 soles, 75 euro voor retourtje) en we besluiten de site op een andere manier te bereiken. Een stukje uit het centrum van Cusco vertrekt 's ochtends om 8 uur een minibusje naar Quillabamba en voor 30 soles gaan we mee. Na een mooie route van 4 uur door de bergen stappen we uit in Santa Maria, waar we met nog wat backpackers in een ander busje gepropt worden om in 2,5 uur (15 soles) op een smal weggetje langs diepe afgronden naar een treinstation gebracht worden. Dit station ligt tussen de bergen en deed vroeger dienst als aanvoerroute naar de dichtbij gelegen dam (voor de opwekking van energie). Vanuit hier kan je Wayna Picchu al zien, de berg achter Machu Picchu. Nu is het nog iets meer dan 2 uurtjes lopen langs het spoor voordat je in Agua Calientes bent, het startpunt voor Machu Picchu. Het dorp is een enorme tourist trap vol eettentjes (pizzarias) die je binnen willen lokken met zogenaamd gratis bier en ‘special price, only for you' teksten.
Machu Picchu zelf is natuurlijk het mooiste als er nog niemand op de site is. Hiervoor moet je er vroeg bij zijn en de eerste bus (23 soles) van half 6 hebben, wat betekent om 4 uur in een rij te gaan staan en om 6 uur bij de ingang bent. Als alternatief kan je omhoog lopen, waar je on geveer 1,5 uur over doet. Om half 5 zetten wij dus koers richting de site. De brug is nog dicht en getuige de ongeveer 150 wachtende blijken we niet de enige met dit idee te zijn. Uiteindelijk gaat de deur open en de vele zaklampjes bewegen zich langszaam omhoog. Om 5 voor 6 zijn we uiteindelijk binnen op de site. Het is een heldere ochtend en we kunnen mooie foto's nemen. Na 3 uur rondgelopen te hebben en genoten te hebben van de prachtige uitzichten komen er steeds meer groepen met vlaggetjes aan en gaan we terug naar Agua Calientes. Met zo'n populaire archologische site verwacht je veel en wat ons betreft zijn we zeker niet teleurgesteld. Terug in het dorp duiken we weer eens wat thermale baden in. De volgende dag keren we op dezelfde manier terug als we gegaan zijn, alleen nu eerst met een auto en daarna met een bus tot aan Ollantaytambo. Dit dorpje heeft ook een archologische site en wordt beschreven als met ‘nothing has changed here in 700 years'. Wij kunnen ons niet voorstellen dat er toen al elke 15 seconde een toerbusjes je passeert door de smalle straatjes. Maar waarschijnlijk bedoelen ze dat er nog steeds redelijk wat huisjes staan waarvan een gedeelte uit de Incatijd stamt. En inderdaad, als je buiten de hoofdstraat loopt komt het zeker over als een authentiek met straatjes van een meter breed (geen auto's), hoge muren en een steil tegen de berg gebouwd Inca complex.
Terug in Cusco ontmoeten we Martijn en Marijn (neef van Ine en zijn vriendin) en wisselen we reisverhalen uit onder het genot van wat drankjes. Een erg gezellige avond! Als Flip de volgende ochtend wakker wordt rond 7.15 en naar de bar loopt voor een fles water tegen de nadorst blijken Ajax en Twente op groot scherm in de startblokken te staan om het kampioenschap te beslissen. Na dit ochtendje voetbal en een middag met Diego door de stad te slenteren pakken we de nachtbus naar Puno, vanwaar we ineens doorgaan naar Copacabana, Bolivia. Dachten we....
Van half 5 tot 7 in de ochtend zitten we op een ijskoud busstation te wachten op onze bus. Uiteindelijk blijkt die niet te gaan vanwege wegblokkades halverwege ivm stakingen. Gedwongen blijven we in Puno en hopen we dat de volgende dag er wel een bus gaat. Om de tijd maar te doden boeken we een tripje naar de Uros eilanden op het Titikaka meer. Honderden jaren geleden was dit volkje nogal bang van de Inca's en Collas, wat hun doen heeft besluiten 2 meter hoge kluiten aarde en riet in het meer te gooien, met palen aan elkaar vast te maken, nog meer riet erop te gooien (1 meter), rieten huisjes erop te zetten en er te gaan wonen. Regelmatig moet er riet bijgegooid worden omdat alles van onder wegrot. Je merkt dan ook dat je op sommige stukken diep wegzakt. De chef van het eiland legt het erg leuk uit en verteld dat ze leven van vissen en jagen op vogels. Aangezien de meeste van de 50 eilandjes (ongeveer 20 bij 20 meter groot) vol staan met souvenirtentjes blijkt toerisme toch de overhand genomen te hebben. Terug in Puno nemen we meteen een volgende tour naar de sillustani ruines. We merken al snel dat we niet vaak een toertje boeken en irriteren ons al snel aan zowat alles eniedereen. De site zelf stelt niet veel voor, maar de uitzichten over het landschap maakt alles goed.
Deze ochtend waren we weer vroeg op het busstation maar helaas, weer geen bussen. Als alternatief is er een boot, maar die zit al vol. Vandaag nog maar een lange dag wachten in Puno en vandaar ook een lang verslag :-)
Dan tot slot nog even wat we culinair in Peru deze 2 maanden geprobeerd hebben:
- Piranha in de amazone
- Majaz, kruising tussen een konijn en een hert (lijkt op stoofvlees), amazone
- Adobo, gekruide karbonade in licht pikante soep (ontbijt op zondag voor tegen de kater en voor families na de kerkdienst)
- Cuy, cavia
- Ceviche, rauwe vis in limoensaus
- Chicha, rijstdrankje
- Alpaca, soort lama
- Inka Kola, frisdrank met veel te zoete bubblegumsmaak
- Cocabladeren, tegen de hoogte
We hopen dat het volgende verslag vanuit Bolivia zal zijn...
Lima, Huaraz, Luahana en Huacachina
Op 7 april komen we in Lima aan, de hoofdstad van Peru. Vanaf het vliveld is het door de spits nog ruim een uur met de taxi naar het hostel in de wijk Barranco. Barranco is een wijk dat iets weg heeft van een dorpje in een stad, met een straatje vol kroegen, een parkje, centraal plein en een uitzichtpunt richting zee. In de bar van het hostel proosten we om 12 uur op Flip zijn verjaardag. De dag daarna is er een echt feestje, er blijkt namelijk ook nog iemand van het personeel jarig. Overdag bezoeken we de oude binnenstad, het drukke Miraflores en bezoeken we ook nog maar eens een ruine uit de pre-incatijd die midden in de stad staat (deze ruine is zo indrukwekkend dat ze er maar een dierentuintje bij hebben gemaakt om het nog enigszins op te leuken). Ondertussen zijn we verhuisd naar een ander hostel in Barranco waar we ons tentje mogen opzetten op het dakterras vanwaar we uitkijken over het parkje en de in Peru beroemde brug ‘ puente de los respiros'. Het verhaal gaat dat vroeger de mannen op deze brug de vrouwen ten huwelijk vroegen, waardoor de ademhaling bij de vrouwen een andere frequentie kreeg.
Op een goede 8 uur rijden van Lima ligt Huaraz, een klein stadje in de bergen en een veel gebruikt startpunt voor trekkingen. De bewoners verschelen dag en nacht met de mensen uit Lima; De meerderheid van de vrouwen heeft een hoge hoed of bolhoed op met daaronder 1 of 2 vlechten. De kleding is zelfgemaakt en vooral de brede rok (die wel wat weg heeft van de petty coat rok) valt daarbij op. We blijven 1 dag in Huaraz om een map te kopen, een tocht uit te zoeken, kookspullen te huren en voor 5 dagen eten in te slaan. 's Avonds eten we op de markt tussen de hoedjes kip met friet en salade en moeten daar maar 75 cent pp voor afrekenen. De volgende dag vertrekken we met een busje naar Caraz, een ritje van 1,5 uur. Het busje is zo vol dat we de hele weg met de backpacks op schoot zitten. In Caraz moeten we met een collectieve taxi nog een bergpas over en een uurtje later ben je dan in Cashabamba, het startpunt van de Santa Cruztrek. De taxirit is langs diepe afgronden al een avontuur op zich en het wordt nog eens extra spannend gemaakt doordat we met zijn 8-en in de taxi, qua grootte een gewone middenklasser,zitten (Ine en ik samen met de chauffeur voorin). Als de chauffeur dan ook nog eens maximaal 16 jaartjes oud lijkt, zijn we blij dat we uiteindelijk heelhuids om 11 uur de trekking kunnen beginnen. We lopen (Ine met 8 kilo op de rug, Flip met 17) van Cashabamba (2900 meter) in de volle zon naar de 1e ‘camping' op 3750 meter. De tocht is zwaar maar de omgeving maakt alles goed. Onderweg komen we alleen wat locals met ezels tegen en op de camping (lees grasveld met wc en koeienstal) is er helemaal niemand. Met de schemering in aantocht maken we ons eten klaar op het gehuurde gasbrandertje en tegen half 7 is het helemaal donker (en koud) en duiken we de tent in. Tegen 6 uur wordt het weer licht, manouvreren we ons langs een verse koeienvlaai de tent uit, maken een ontbijtje en zetten we al druk kauwend op de cocabladeren (goed tegen hoogteziekte) de pas er weer in. De omgeving is ombeschrijflijk mooi en ook al maken we veel foto's, ze doen geen recht aan wat je met je eigen ogen ziet. We passeren 2 meren, af en toe loopt er een ezel of een paard een stukje mee, we groeten een zo nu en dan passerende boer en dan wordt het pad ineens wel erg smalletjes. Na over wat kleinere slootjes gesprongen te hebben en over de rotsen geklauterd te hebben denken we wel goed te zitten. Totdat er 2 herders aan de overkant van de rivier gebaren dat we aan de andere kant moeten lopen. Na 20 minuten teruglopen is er een punt waar we de rivier overkunnen, schoenen uit, broek opstropen en door het ijskoude water naar de overkant. Na de lunch volgen we een pad omhoog richting de Alpamayo en kamperen we naast een verlaten huisje op 4350 meter hoogte, weer is er geen een levende ziel te bekennen. 'S Ochtends is het erg helder en zijn alle besneeuwde bergtoppen pas goed te zien. We zitten in een kom tussen 3 bergtoppen en een 4de op de achtergrond. We laten ons tentje nog even staan om naar een meer te lopen wat volgens de kaart 30 minuten lopen zou zijn. We kunnen niet echt een pad vinden maar aangezien we nog niemand tegengekomen zijn kunnen we dat wel goedpraten en volgen we gewoon de paardenstront. Na een uurtje houdt dat ook wel op en komen we bij alleen maar rotsen en stenen uit. Na nog wat doorlopen besluit Flip deze maar te beklimmen en bovenop loopt het 100 meter loodrecht naarbeneden het meer in. Een spectaculair uitzicht! Ine komt ook omhoog en we kunnen vanaf die hoogte ook wel redelijk zien waar we wel hadden moeten lopen. Het meer zelf is turkoise van kleur en aan 1 kant raakt de sneeuw tot aan het meer. Aan de eind van de ochtend lopen we de kom uit naar het hoofdpad en komen we de 1e groep mensen tegen. We krijgen van de gids een handige tip zodat we niet eerst weer helemaal naar beneden hoeven te lopen. Om half 2 komen we bij de volgende camping aan en zetten net voor de regen om half 2 ons tentje op. Zolang het licht is blijft het regenen dus koken we maar binnen die avond. De vierde dag belooft het zwaarst te worden. Vanaf de camping wordt meteen de klim ingezet naar het hoogste punt, Punta Union op 4750 meter. Als we bovenop komen begint het even te hagelen en is het bewolkt waardoor we geen echte uitzichtfoto's kunnen maken. We denken het zwaarste gehad te hebben maar daar vergissen we ons enorm in. De afdaling is steil, vol modder en rotsen en we lopen ook nog maar een een keer verkeerd wat weer een extra uur lopen betekent. Uiteindelijk komen we vermoeid en nat net voor het donker aan bij een camping. Een meisje verkoopt er water, cola en bier, wat enorm motiverend werkt (vooral dat laatste) na 4 dagen gekookt rivierwater. De laatste dag is nog een pittig klimmetje naar het dorpje Vaqueria, vanwaar er een bus vertrekt richting Caraz. We hebben geluk dat de tourgroep nog aan het wachten is op hun vervoer, waardoor we mee mogen en op alle mooie uitzichtpunten stoppen. Terug in Huaraz pakken we de volgende dag de nachtbus naar Lima, waarna we na nog 3 bussen om 11 uur ‘s ochtends aankomen in Lunahuana.
Lunahuana is een dorpje met zo'n 3500 inwoners dat bekent staat om zijn wijnen en pisco sour (cocktail). We komen op woensdag aan, 1 dag voor Semana Santa (pasen) begint en het dorp is nog uitgestorven. De volgende dag is het een ander verhaal. Al vroeg staat het grasveld vol met tentjes en hele families komen met tassen vol eten het Paasfeest inluiden. Het dorpje barst uit zijn voegen met zoveel bezoekers. Op het dorpsplein staan de mensen uit de region met wijn -en cocktailkraampjes die we uiteraard ook uitproberen. De wijnen vallen echter tegen en zijn allemaal mierzoet (genaamd semi-seco). Na een door de drukte afgeraffelde raftingtocht over wat kabbelend water besluiten we de rest van Semana Santa in Huacachina te verblijven.
Huacachina (afgebeeld op het biljet van 50 soles) is een nog kleiner dorpje dan Lunahuana en bestaat officieel slechts uit 200 inwoners. Was het vroeger een plaats die door de Peruaanse elite bezocht werd, nu is het een grote toeristenplek. Het bestaat uit een meer met wat palmbomen omringd door een boulevard met horeca gelegenheden. Dit geheel is ingesloten door enorme zandduinen waar je kan sandboarden en een buggytour kan doen. Ook dit dorp is door het pasen enorm druk. We zetten ons tentje op in de zandbak van een hostel/bar. Aangezien Flip wat ziekjes is besluiten we vroeg te gaan slapen. Dit wordt echter wreed verstoord doordat de boxen van de buitenbar richting de tentjes geinstalleerd zijn waardoor het geluid harder is dan in een gemiddelde discotheek. De buggytour is geweldig. Mooie uitzichten van het dorp en door de spectaculaire moves van de chauffeur kan een vergelijking met de python in de efteling makkelijk gemaakt worden. Onderweg stoppen we 2 keer om een poging te wagen om te sandboarden, wat toch moeilijker is dan verwacht. De meeste mensen gaan dan ook op hun buik naar beneden.
Over enkele dagen het 3e deel van Peru waarna we verder afdalen (op de landkaart dan..) naar de hoogvlaktes van Bolivia.
Meneer muskiet, prik mij niet!!!
De nachtbus naar de grens Ecuador/Peru doet er zowaar een uur korter over dan gepland (uniek in onze 8 maanden reishistorie). Na deze meevaller gaat het bergafwaarts. De immigratiedienst van Ecuador zit 3km van de grens en ook die van Peru is 3km verderop (aan de andere kant dan natuurlijk he). Het is zondagochtend, uurtje of 7 en niks anders te bekennen dan een paar onbetrouwbare taxi's en mannetjes die al zwaaiend met gemanipuleerde rekenmachines geld willen wisselen. Vanaf de grens gaan er op dat moment ook alleen maar taxi's naar het 35km verderop gelegen Tumbes. Er zit weinig anders op om ons eerst figuurlijk te laten afzetten voordat we zelf daadwerkelijk in Tumbes afgezet worden. Vanuit daar na nog zo'n 5 uur in de bus door het woestijnachtige noorden komen we rond 2 uur in Piura aan. Aangezien deze stad op zondag ook redelijk doods is besluiten we de dag te vullen door op ons hotelkamertje ons te goed te doen aan bacardi en cola en stokbroden met franse kaas.
Met een lichte hoofdpijn staan we de volgende ochtend om 7 uur voor de deur van de enige busmaatschappij die naar Tarapoto gaat. We kunnen nog een kaartje bemachtigen en om 1 uur vertrekken we voor deze lange rit. De weg begint weer mooi door grote zandbergen en na een half uurtje stoppen door een klapband en nog eens ergens 3 uur wachten bij een wegopbreking komen we de volgende ochtend om 10 uur aan in Tarapoto, de poort naar de amazone.
De bedoeling is om Lagunas te bereiken vanwaar we het nationaal park Pacaya-Samiria kunnen binnengaan. Hierdoor moeten we nog eerst een busrit (met enorm mooie uitzichten) van 2,5 uur naar Yurimaguas doen en vanuit daar gaat de boot naar Iquitos, die na zo'n 10 uur een stop maakt in Lagunas. De boot gaat volgens ‘betrouwbare' bronnen echter pas over 2 dagen en zoveel is er nu ook weer niet te doen in Tarapoto, waar elke keer wanneer het stoplicht op groen springt het lijkt of er een vliegtuig voor je neus opstijgt. Een oorverdovend lawaai van tientallen (opgevoerde) motortaxi's. We pakken de volgende dag dan ook maar de bus en aangekomen in Yurimaguas merk je goed dat je enigzins van de bewoonde wereld verwijderd bent. We worden opgewacht door slechts 2 motortaxi's (Flip doet kop of munt om te kiezen wie de gelukkige is) en 1 persoon (James) die ons info geeft over het nationaal park. De info klinkt goed maar we besluiten om 6 uur met hem nog eens af te spreken omdat we verschillende mogelijkheden willen onderzoeken. We komen uit bij een tourorganisatie (familiebedrijfje) die ons wel goed lijkt en we spreken met manager Miguel af om later te bepalen wat we gaan doen. Als we om 6 uur richting James lopen heeft ie al met Miguel gepraat (ons kent ons in zo'n dorpje) en we overleggen wat we doen. Een 4 daagse trip in het park laat je apen en dolfijnen zien, papegaaien en luiaards en 5 dagen eerder is er nog een jaguar gespot. Op een 12 daagse reis ga je door naar Pastococha, een groot meer waar krokodillen van wel 10 meter liggen. Er wordt verteld dat je op een 12-daagse trip echt alles van de amazone ziet en hoe verder je komt hoe meer dieren je ziet. Wel zijn er wat meer muskieten en regen dan normaal dus we lopen niet te veel over land. Na ons meermalen verteld te hebben dat zo'n trip helemaal super is gaan we er voor en boeken we voor 12 dagen.
De volgende dag nemen we 's ochtends een klein vrachtbootje voor de 10 uur durende reis naar Lagunas en voor 20 soles pp(5 euro) hangen we ons hangmatje op. James en Miguel zwaaien ons fanatiek uit en op de boot zijn allemaal aardige mensen. Het eten zit ook bij de prijs in en is vullend maar smaakloos. Als we rond half 8 aankomen in Lagunas worden we opgehaald door onze gids Raul en nog een onbekende vrouw. De vrouw zegt wat dingen, Raul bekommert zich over de bagage. Deze avond slapen we op een matras op de grond in het kantoor van de reisorganisatie. Nou ja kantoor, het is een houten hutje waar die onbekende vrouw woont en waarvan 8m2 meter is ingericht met een houten tafel en een hangmat. Wc is een gat in de tuin met een douchegordijn eromheen en douche onbestaand. Toch zijn we dankbaar met de slaapplek en doen een afzakkertje in een discotheek (lees: houten schuur) met Raul en zijn vrouw (die onze 2e gids blijkt te zijn) en de onbekende vrouw (die de vrouw van Miguel blijkt te zijn) en haar zus. Ze zijn niet erg spraakzaam en ook niet zo scheutig met informatie en om half 11 haasten we ons terug naar de slaapplaatsen omdat om 11 uur de electriciteit in het dorp uitgaat.
De volgende dag blijven we een dagje in Lagunas en verhuizen we toch maar naar een hospedaje om een eigen bed en douche te hebben. Gedurende de regenachtige dag komen we wat meer informatie te weten over de omgeving en de mensen:
- Lagunas heeft ongeveer 8000 inwoners maar de oppervlakte van ongeveer Breda.
- Onze gids Raul is 52 jaar en zijn vrouw 48, hebben 12 kinderen en de oudste is 35 (of ze kunnen niet tellen of rekenen of ze waren er vroeg bij).
- Met de muskieten valt het nog aardig mee in Lagunas.
- Er is electriciteit van 4 tot 7 in de ochtend en 6 tot 11 in de avond.
- De haven en tevens levensader van Lagunas is 1 grote modderpoel met wat houten plankjes erover terwijl de enige verharde weg elke dag geveegd wordt en zelfs met hamer en beitel bijgewerkt wordt (wat is belangrijker?).
We drinken weer wat in de discotheek met Raul en vrouw en ze komen nog steeds wat onzeker en nerveus over maar ze garanderen ons dat het allemaal geweldig wordt en dat ze goede gidsen zijn.
Dag 1
De volgende dag (26 maart) starten we onze 12-daagse trip. Na ontbijt in het kantoor laden we de motortaxi van Raul vol met eten, water en ander materiaal en rijden we naar de ingang van het park. De motor valt elke keer stil op de modderige weg en terwijl Raul aan de achterkant kijkt wat het kan zijn, start zijn dochter met succes de motor en rijdt er zonder Raul vandoor. Het duurt nog zeker 5km voordat we aankomen bij het park waar we ons vervoermiddel ontmoeten. Met een uitgeholde boomstam van 5 meter als boot en 3 peddels gaan we de amazone veroveren! Na alle formaliteiten bij de ingang komt Raul ook aan gelopen en kunnen we om half 11 vertrekken.
Met Raul voorop, wij in het midden en zijn vrouw als roer op de achterkant varen we deze dag naar de eerste cabana genaamd Poza Gloria. De rivier is ongeveer 7 meter breed, we hebben de stroom mee en hoeven zelf niet te roeien. Het hutje waar we lunchstop hebben staat half onder water dus varen we maar door tot het eindstation. We komen de eerste aapjes en papegaaien tegen en na een paar uur duiken er grote rivierotters op. Ze zijn niet blij met ons en dat laten ze luid en duidelijk merken. Ze duiken onder, komen een paar seconden later weer omhoog, kijken je aan en beginnen je toe te blaffen, erg indrukwekkend. Wij peddelen rustig verder, krijgen een zeil op ons kop als er een regenbuitje komt, steken regelmatig de bossen in om stukjes af te snijden en komen rond 4 uur aan in Poza Gloria. De lunch is tevens ook avondeten en omdat er nog steeds niet zo veel uit de gidsen komt duiken we vroeg in bed onder ons muskietennet.
Dag 2
Als we ons bedje uitstappen komt Raul net terug met onze kano. Hij heeft de avond ervoor een val gezet in het water en heeft succes gehad. We hebben een piranha en een catfish als ontbijt! Halverwege de ochtend gaan we op weg naar cabana Camotal. Er is nog steeds geen klik met de gidsen, weinig uitleg en we mogen absoluut met niks helpen. We zien onderweg dolfijnen en verschillende apensoorten en een luiaard. Raul verzekert ons dat hoe verder we komen hoe meer dieren er zijn. Wel zegt hij dat er veel water is (mucho agua, hij zal dit de gehele trip nog zo'n 200x herhalen) en dat het daardoor moeilijker dieren te spotten is. Zeker de krokodillen bij het meer zitten meer verscholen tussen de bossen. JA HALLO, dat was niet verteld! We besluiten maar af te wachten, bij de lunchstop slaan we onverminderd de muskieten van ons af en wachten maar tot het eten klaar is. Bij Camotal wordt onze slaapplek gereed gemaakt, hulp wordt wederom geweigerd (No, Felipe, no, senorita, wat we de gehele trip nog zo'n 200x moeten aanhoren) dus trekken wij onze zwemkledij maar aan en springen de rivier in (op deze plek schenen geen piranha's en krokodillen te zitten). 's Avonds is het niet te harden met de muskieten en duiken we wederom vroeg onder het net.
Dag 3
Tena doet vandaag de was. Omdat het veel is blijven we vandaag op deze plek om het te laten drogen. We gaan met laarzen aan de jungle in, het grootste gedeelte loop je door het water doordat het regenseizoen is. We zwaaien de muskieten van ons af en na een uurtje lopen zegt Raul dat we niet verder kunnen (mucho agua) omdat het water te hoog staat(mucho lluvia, dit zullen we de gehele trip nog zo'n 200x aanhoren). Wel vertelt ie er nog leuk even bij dat als je nog een uur doorloopt je bij een stuk droog land komt waar alle landdieren zijn en waar ook een week eerder een jaguar gespot was (maar toen stond het water lager, jaja). We ondernemen 's middags nog een laffe poging om piranha's te vangen maar volgens Raul is het heel lastig want, je raad het al; mucho agua. We willen 's avonds graag buiten een vuurtje maken zodat de muskieten wegblijven, maar uiteraard krijgen we een 'no, felipe' en zijn we weer gedwongen om vroeg onder het muskietennet te kruipen.
Het lijkt wel of ze tijdens hun cursus 'gids' (als ze die hebben gehad) alleen onthouden hebben om iemands naam vaak te zeggen (echt 500 keer op een dag Felipe) en te zorgen dat ze niks hoeven te doen. We voelen ons net 2 kleuters die 's avonds weer de box ingaan en denken dat we het zo geen 12 dagen gaan volhouden. Zeker niet als er toch niet veel te zien is door het vele water.
Dag 4
We vertrekken na het ontbijt met eieren (we eten gemiddeld 4 eieren per dag) richting laatste cabana. Als we ter voorbereiding van de lunch weer niks mogen doen behalve de talrijke muskieten van je af te slaan, besluiten we 's avonds te vragen om de trip in te korten naar 10 dagen. Nu we al langszaam maar zeker doorkrijgen dat er niet zo heel veel dieren te zien zijn in deze tijd van het jaar stellen we als doel om het meer Pastococha (waar normaal de krokodillen zitten) te halen. Op het midden van het meer is in 1981 een boorkop geplaatst om olie te verkrijgen, maar uiteindelijk is deze nooit in gebruik genomen. De lunch is opvallend gezellig en er worden over en weer pikante spaanstalige oneliners uitgewisseld. Aangekomen bij de laatste cabana blijkt dit een hut te zijn zonder muren. We mogen niet badderen in de rivier (te gevaarlijk) en bij een goede vismaaltijd vertellen we dat we de reis in willen korten maar wel naar het meer willen nog. Eerst zeggen ze dat het niet mogelijk is maar een half uur later zegt Raul dat we om 2 uur 's nachts vertrekken. Ondertussen liggen wij alweer veilg in de babybox.
Dag 5
We vertrekken om om 4 uur in de ochtend nadat we hebben toegekeken hoe Raul alles in de kano laadt. Het eerste stuk roeien we door de bossen om een stuk af te snijden. In het donker komt het heel mystiek over. In de ochtend roeien we echt langs honderden apen die rondslingeren langs de rivier. We helpen om en om met roeien een ook Tena roeit af en toe mee. Lunchen doen we in de kano, er is nergens langs de rivier een droog stuk land te vinden. Na de apen in de ochtend is er geen enkel dier meer te spotten en we zitten er dan ook aardig doorheen. Uiteindelijk vinden we bij de ingang naar het meer een droog stukje land en gaan we om 15.15 aan land. Ook bij het opzetten van een kamp heeft Raul geen hulp nodig en 16.45 uur liggen we weer op de vertrouwde matrassen.
Dag 6
's Nachts stormt, regent en bliksemt het. Door de wind waait veel regen onder het afdak. De volgende ochtend is het gelukkig even zo goed als droog. Het is druk rond ons muskietennet. Onder onze matrassen liggen grote bananenboombladeren die de 3cm grootte ‘leafcutting ants' heel interessant vinden. Na wat knippen en zagen (ook in Ine's teen) nemen ze een stuk blad mee naar voor ons onbekende bestemming. Toch nog een beetje vermaak terwijl je op het ontbijt wacht.
Om half 9 vertrekken we dan met druppels naar ons ‘einddoel' , de boorkop op het meer. Na 5 minuten begint het al te stortregenen. Niet zoals een stortbui in Nederland, echt een stukje harder nog. De kano wordt snel een zwembad, zelf zijn we helemaal doorweekt en moeten we wel erg veel doorstaan om het doel te bereiken. Met liedjes als 'het regent harder dan ik hebben kan' en 'het dondert en het bliksemt en het regent meters bier' proberen we de moed erin te houden. Na 2,5 uur bereiken we de rand van het meer (geen krokodil te zien) en roeit Raul richting boorkop. Er staan nog redelijk wat golven wat in zo'n kanootje wel gevaarlijk kan zijn (als je omslaat zijn er ineens wel krokodillen). Na deze helse toch bereiken we de boorkop, foto nemen en afvinken maar. Op de terugweg roeit Flip ook vol mee en rond 3 uur komen we weer terug bij het kamp waar de mieren en muggen ons weer opwachten (tevens de enige dieren die we die dag zien). Buiten de onliners is zijn de gesprekken met de gidsen schaars.
Dag 7
Om half 3 's nachts vertrekken we voor de terugweg. We hebben nu stroom tegen en Raul heeft daarom ook voor Ine maar een peddel gemaakt. In het donker met de zaklamp kan je de krokodillenogen tussen de bomen zien en Raul weet een kleine te vangen. Uiteraard zetten we hem weer terug. Na een zware roeidag komen we om 5 uur doorweekt en kapot aan.
Dag 8
We worden wakker en begroet door zo'n 300 muggen die op ons netje zitten te wachten tot we naarbuiten komen. Flip waagt het erop en is ook zo vriendelijk om Ine haar kleren te pakken en onder het net aan te geven. Komt Raul eraan en begint doodleuk het muskietennet weg te halen terwijl Ine eronder de kleren probeert aan te trekken om niet nog meer geprikt te worden. Bedankt! Tena heeft griep en roeit niet veel mee. Toch komen door ons harde roeien om 5 uur aan. Het eten raakt langzaam op en als avondeten hebben we spaghetti met een gekookt ei en gekookte aardappelen. Er zijn dit keer maar weinig muggen bij Camotal en we blijven wat langer op. We geven Tena een asparine voor de griep, Raul pakt er ook een want hij heeft spierpijn in zijn schouders... Ook komen we wat meer de ins en outs te weten van het park. Elke tourmaatschappij is verantwoordelijk voor de bezetting van een door het park toegewezen cabana. Elk jaar wordt opnieuw bepaald welke organisatie welke cabana toegewezen krijgt. De tourorganisatie maakt een schema waarbij 2 gidsen een cabana 10 dagen bemannen en rondroeien om zo te controleren op illegale jagers. De gidsen moeten dit verplicht doen voordat ze een tour aangewezen krijgen en verdienen niks tijdens die 10 dagen. Dit klinkt natuurlijk vrij zwaar, 10 dagen in een hutje zonder dat je iets verdient. Echter hebben zij tijdens die 10 dagen toestemming om te jagen op elk dier dat ze maar willen. Naast de talrijke vissen worden er dus ook landdieren gevangen en opgegeten. Vlees en vis dat ze over hebben wordt gezouten en na de 10 dagen meegenomen voor de familie in Lagunas. Blijkbaar is een goede business, elke organisatie heeft wel 20 gidsen in zijn bestand.
Dag 9
Alle kleren zijn nat en stinken dus Tena gaat weer een paar uurtjes wassen. Als ontbijt hebben we vlees van een dier genaamd Paca dat door 1 van de andere personen is gevangen. Het is een heerlijke zonnige dag en alle muggen lijken zelfs even te zijn verdwenen. De was is om 3 uur droog en we vertrekken naar Poza Gloria.
Dag 10
De regen daalt weer op ons neer en Tena is nog steeds ziekjes en kan haar armen niet bewegen van al het wassen van gisteren (hoe deed ze dat met 12 kinderen?). Het is half 9 's ochtends en Raul vraagt nog maar eens of we niet een dagje willen blijven om uit te rusten. Nee nee, wij willen zo snel mogelijk weg! Uiteindelijk blijkt ook waarom ze nog een dag of eigenlijk 2 willen blijven. Over 2 dagen begint hun eigenlijke shift van 10 dagen in het park. Omdat ze een tour van 12 dagen hadden is de shift geruild met 2 anderen. Nu de tour maar 10 dagen duurt kunnen ze gewoon hun eigen shift draaien en daar hebben ze niet zo veel zin in (zou dat griepje dan ook nep zijn?).
Als de regen gestopt is gaan we de laatste etappe in. Omdat de rivier smaller wordt, wordt de tegenstroom steeds sterker. Aangezien Tena meer aandacht heeft voor de overgebleven koekjes dan voor haar peddel wordt het een zware tocht. De laatste lunch is bij een half onderwaterstaande tafel. Tijdens het eten krijgen we nog maar eens een stortbui over ons heen. De laatste 2 uur roeien we ons het leplazerus maar uiteindelijk is daar de bevrijdende steiger. We worden opgehaald door de vrouw van Miguel, die maar weinig interesse toont in hoe het ons vergaan is. Ook met Raul en Tena valt weinig meer te praten. Het lijkt wel alsof ze geen feedback willen krijgen. We laden de motortaxi (een andere nu, die van Raul is kapot) in en rijden zwijgend naar het dorp. Hier slaan we het aanbod om nog een nacht in het kantoor te slapen af en doen onze intrede weer in het hospedaje. 's Avonds blijkt dat er nergens eten te krijgen is en na heel lang zoeken met en met wat hulp van een tuktukdrijver kunnen we ergens nog een rijstgerecht eten.
De trip in de amazone was zeker wel interessant maar duidelijk niet de goede tijd. Erg jammer dat de organisatie dat niet verteld heeft. Een 4 daagse tour was al veel positiever geweest en de trip naar het meer in het regenseizoen totaal geen meerwaarde. De gidsen waren geen echte gidsen en communicatief niet sterk. Je wilt niet elke dag 500x je naam horen en elke keer aanhoren dat er veel water, regen en muggen zijn en in de zomermaanden alles beter is. Uiteraard waren er ook momenten met veel lol en hebben we met enige regelmaat dolfijnen zien opduiken, papegaaien zien overvliegen en ontelbare apen zien rondslingeren. Dit stond echter niet in verhouding met het afzien en komen tot de slotsom dat de trip een fysieke uitdaging en een mentale veldslag was!
Tijd om te vertrekken, de boot naar Iquitos komt om 3 uur in de nacht aan vanuit Yurimaguas. Als we om 3 uur aan de haven staan komt de regen weer met bakken uit de hemel. De 'kade' is ondergestroomd en we vinden een afdakje om onder te schuilen. We worden gek van de muskieten maar we hebben goede zin, over een half uur zijn we weg hier! Niet dus, het wordt licht en uiteindelijk komt de boot om 8 uur aanzetten. We lopen het dek op,langs de metershoge bananentrossen en een stal met koeien en vinden de trap naar het bovendek. Het hangt al helemaal vol met hangmatten en met een backpack van meer dan 20 kilo worstel je er lastig doorheen. Uiteindelijk na een beetje beteutert rondkijken schuiven wat mensen hun matje op zodat wij ertussen kunnen hangen. De reis duurt 17 uur naar Nauta (vanwaar je met de taxi in 1,5 in Iquitos bent) of 29 uur naar Iquitos. Aangezien we niet midden in de nacht in Nauta willen uitstappen hebben we een kaartje naar Iquitos gekocht. We hebben nog een fles Bacardi bewaard die nu goed van pas komt om het zeer matige eten op de boot mee weg te spoelen. De hele nacht doen we geen oog dicht. Je ligt zowat bij de buren in de hangmat, schouder aan schouder met een stukje textiel ertussen. Als er dan naast je ook nog een 2-persoonshangmat is die niet de hele nacht stil hangt....
Bij daglicht blijkt dat we 's nachts nog zo'n 7 uur vertraging hebben opgelopen. Goed nieuws!! We bereiken om 8 uur Nauta, gaan van boord, pakken een taxi en komen 2 uur later eindelijk in Iquitos aan. Iquitos is een stad van zo'n half miljoen inwoners in de amazone en daarmee de grootste stad ter wereld die niet via een weg in verbinding staat met de rest van het land (behalve dan naar dat dorp Nauta). Het is er warm, vochtig en erg druk met motortaxi's. Verder lijkt het eigenlijk op een gewone stad, behalve dat er heel wat meer vage figuren rondlopen. Het is inmiddels 6 april en na zo'n 15 dagen amazone is het wel weer welletjes. We boeken een vliegticket naar Lima ipv nog eens 5 dagen in een hangmat op een boot en dan nog 24 uur bussen. Deze kost 75 euro pp en is echt super. Door de korte afstand vliegen we vrij laag en over het nationaal park waar we gezeten hebben. Met al die bomen en kronkelende riviertjes doet het ons pas echt beseffen waar we geweest zijn!
Volgende keer meer over Lima en de rest van Peru.
Colombia en Ecuador
Colombia en Ecuador 01/03 t/m 19/03
Na vier dagen ‘thuis' in Lorica is het tijd om afscheid te nemen en weer een stukje verder te reizen. We blijven aan de carribische kust en gaan naar een klein plaatsje Tolu. We zijn hier om 2 dingen te doen; een boottochtje naar een aantal eilandjes voor de kust en om playa Frances te bezoeken, een strook strand waar Flip 4 jaar geleden een stuk grond trachtte te kopen. Het strand is 8 km buiten Tolu en we besluiten te lopen aangezien het nog redelijk bewolkt is. Dit verandert echter heel snel en zonder zonnebrandcreme in de volle zon is het een helse onderneming. Aangekomen bij het strand blijkt alle grond verkocht en staat de hele strook volgebouwd met dikke villa's. We kunnen dan ook niet meer ontdekken welk stuk het precies was. Eind van de middag komen we verbrand weer terug in Tolu, waar het een uurtje later volle bak begint te regenen.
De San Bernardo eilandengroep ligt voor de kust van Colombia en bestaat uit een aantal kleine eilandjes, waarvan er 1 helemaal volgebouwd is. Dit dichtsbevolkte eiland heet Santa Cruz del Islote en heeft 1200 inwoners en een oppervlakte van 0.01km2. Gelukkig stoppen we op een ander eiland waar we een middagje relaxen in het heldere zeewater.
Na Tolu gaan we naar Cartagena, de toeristenplek van Colombia. De oude ommuurde binnenstad is zeker de moeite waard om te bezichtigen, maar verder valt de stad niet erg in de smaak. Enorm warm, veel toeristen, nog meer verkopers en net buiten de binnenstad veel vage figuren met vreemde voorstellen. We blijven dan ook niet erg lang maar als we op zondagochtend onze boodschapjes doen voor de 20 uur durende busrit (met overstap) naar Salento maken we nog wel wat opmerkelijks mee. In de plaatselijke Exito (grote supermarkt) staan tussen de broodafdeling en de wijnrekken een 30-tal plastic stoeltjes opgesteld, allen bezet en de gezichten 1 kant op gericht. Tussen de stokbroden en gebakjes staat een priester met microfoon zijn geloof te verkondigen. We verstaan er niet veel van, maar als het ‘geef ons heden ons dagelijks brood' is wat hij zegt, zijn de gebeden zeker gehoord.
Salento is een klein dorpje in het midden van de koffieregio. Het landschap is er schitterend met bergen, heuvels, rivieren, bomen en uiteraard koffieplanten. Het hostel die ons door anderen is aangeraden ligt 1,5km buiten het dorp op een heuvel met geweldig uitzicht. Als we aankomen ziet het er wat dicht uit en het manneke dat met ons meeloopt probeert ons op allerlei manieren te overtuigen dat het gesloten is (maar niet getreurd, we hebben nog wel een hotel). Na wat overleg onderling besluiten we hem maar niet te geloven, lopen we via de achteringang (volgens manneke de oprit van de buren) langs de ‘gevaarlijke' honden en blijkt er wel degelijk volk aanwezig.
Het hostel La Serrana organiseert een aantal dagen per week een diner in het met kaarsen verlicht restaurant en wanneer iedereen op een dag meehelpt met een promotiefilmpje (Ine gefilmd op de fiets en Flip spreekt wat woordjes in) krijgen we een diner van het huis. Een andere dag staan we om 4.45 uur op om ons naar de stal te begeven waar we met de opkomende zon als getuige de koeien gaan melken. Na een tijdje krijgen we het in de vingers maar zo snel als de opzichter Horacio het doet lukt ons niet. In de omgeving bezoeken we (uiteraard) een koffieplantage en gaan we naar Valle de Cocura, waar een pad door de bergen gaat. Verschillende keren eindigt het pad bij een rivier en de enige mogelijkheid om verder te gaan is om over die ene boomstam te balanceren die tot aan de overkant reikt. De uitzichten zijn weer mooi en opvallend zijn ook de waxbomen, die als dunne sprieten omhoog steken en wel 50 meter hoog kunnen worden. Wel leuk is ook dat waar we ook lopen tijdens onze gehele reis, altijd sluit er wel weer een hond bij ons aan die niet meer van onze zijde afwijkt. Deze keer dus ook weer.
We reizen verder zuidwaarts en gaan naar San Cipriano. Flip is hier al eerder geweest en wil zeker nog wel een keer terug. San Cipriano is in het kort een dorpje met nog geen 1000 inwoners, allen afro-colombiaans. Het bestaat uit alleen maar houten huisjes, ligt aan een kristalheldere rivier en heeft geen wegen en auto's. Het ligt 12km in de jungle, enkel te bereiken via een spoorrails...zonder trein. De manier om het dorp in te komen is met een brommertje, achterwiel op de spoorrails, voorwiel op een platform die ook weer in verbinding staat met de rails (de foto's vertellen het beter).
We gaan weer meters maken en verlaten na 6,5 week Colombia om de grens naar Ecuador over te steken. Het eerste deel van de weg naar de grens (Cali-Pasto) staat zogenaamd als gevaarlijk bekend maar wij nemen toch maar de nachtbus. Voordat we vertrekken komt er nog iemand binnen die zegt dat we om veiligheidsredenen onderweg nergens stoppen en we worden individueel nog even op de camera gezet voor het geval dat... De volgende ochtend komen we gewoon aan met al onze spulletjes en gezondheid. Na nog wat buswissels (en een uurtje stilstaan voor een langskomende wielrenwedstrijd) komen we 17 uur later in Otavalo aan. Dit Ecuadoriaans dorpje heeft een hele grote markt waar we de nodige inkopen doen voor onze laatste 4 maanden van de reis. Naast de truien, hangmatten en mutsen met flapjes aan de zijkant die we in Otavalo kopen, schaffen we in Quito ook nog een tent aan en alle kampeerbenodigdheden. Het is duidelijk, de laatste paar maanden gaan we zo veel mogelijk de natuur in. We willen de tocht beginnen in Coca, alwaar een boot de amazone opgaat tot de grens met Peru. Daar komt dan 1 keer in de zoveel tijd een vrachtschip waarop je je hangmat kan hangen en binnen 5 dagen in Iquitos bent. Na wat research hebben we een telefoonnummer van iemand in het grensdorp die zegt dat er over 2 dagen een boot gaat. Balen!, want dat halen we niet...en de volgende boot...over een maand!!!! Daar gaat ons plannetje. Na een dagje stoom afblazen in de nabij gelegen thermale baden (65km buiten Quito maar wel 3,5 uur met de bus...) hebben we de map van Zuid Amerika er nog eens bijgepakt en hoe dan ook, we gaan naar Iquitos. Dat betekent dat we nu (19 maart) de nachtbus naar Peru pakken om daar via een aantal zware busritten via Yurimaguas alsnog ons bootje naar Iquitos gaan nemen.
Inmiddels zijn we na heel wat avonturen beleefd te hebben in de amazone aangekomen in Lima. Over een paar dagen volgt ons verhaal!
Dos flotadores por favor!
Met de gehele bepakking en vol goede moed beginnen we aan ons Zuid Amerika hoofdstuk. Wat in Colombia meteen opvalt (en Flip natuurlijk al wel wist) is de oprechte vriendelijkheid van de mensen. Elke dag wel een praatje op straat, behulpzame mensen en verkopers waarbij zelfs een nee ook met een glimlach wordt ontvangen. Het begin in Bogota is dan ook goed als we na onze lange reis om 12 uur ‘s nachts nog niet kunnen slapen en honger hebben, de hoek omlopen en een restaurant vinden die nog wel wat willen maken voor ons. Het 2e voordeel van Colombia; hostels met een keuken! Het klinkt misschien wat raar, maar na 7 maanden is het fijn weer eens zelf boodschappen te doen en aan het fornuis te staan.
In tegenstelling tot de warmte van de mensen is Bogota zelf vrij koud. Overdag een graadje of 18 en in de nacht niet meer dan 5. We beperken ons dan ook tot enkele dagen jetlaggen en bekijken het historisch centrum van dichtbij en de gehele stad vanaf een heuveltop die met een kabelbaan te bereiken is. In Bogota hebben ze een cyclovia, wat betekent dat elke zondag overdag zo'n 30km aan straten zijn afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Ideaal voor een citybiketour, waarin we naast de stad ook kennismaken met tig verschillende soorten exotisch fruit en de dag afsluiten met Tejo (met metalen schijven van een afstand kleine envelopjes met buskruit in de klei proberen te raken) en cerveza.
Medellin is de stad waar Flip het grootste gedeelte van zijn eerdere zuid amerikaanse leven heeft gesleten en tevens de volgende stop van deze reis. Er is veel veranderd maar ook weer hetzelfde gebleven. Waren er 4 jaar geleden nog 6 hostels in de hele stad, inmiddels zijn het er meer dan 35. Het favoriete eettentje is echter exact hetzelfde gebleven (zelfde muziek, werknemers,en 3 cocktails voor de prijs van 1). De ochtend dat we aankomen gaan we meteen naar een waterpark 15km buiten Medellin, waar Ine haar 1e spaanse zin 'dos flotadores por favor' (2 drijvende bandjes alstublieft) uitspreekt. Na deze zin 100x herhaalt te hebben, denken we dat het niet onderdoet voor 'toeter op mijn waterscooter' en er een carnavalshit mee te kunnen scoren (de tijd dringt). Na dit waterballet spreken we af met oude bekenden van Flip, voordat we doorgaan naar het 70km verder gelegen Guatape.
Guatape is een klein dorpje in een bergachtig gebied dat door een stuwdam aan een groot meer is komen te liggen. Vanaf de top van 'La Piedra' (de rots) die 300 meter boven het landschap uitsteekt heb je een prachtig uitzicht over de omgeving. We blijven 12 dagen in een klein hostel dat als een 2e huis aandoet en helpen de eigenaren met schoonmaken en mensen inchecken. Ondertussen kayaken we 25km naar de restanten van het gebombardeerde buitenhuis van Pablo Escobar, fietsen en wandelen we door de bergen en BBq-en we iets vaker dan gezond is.
Na helemaal uitgerust te zijn pakken we de bus naar Santa Marta, waar we 17 uur later aankomen. Santa Marta ligt aan de Carribische kust en dient voornamelijk als uitvalsbasis voor tripjes. Met een gemiddelde van 33 graden is het verstandig overdag niet te veel te ondernemen. De 1e dag doen we dan ook niks op een afgelegen strandje, de 2e dag vluchten we de bergen in op zoek naar watervallen. En dan is het tijd voor parque Tyrona! Een natuurpark aan het water met schitterende stranden en enorme rotsen, pelikanen die zich voor je neus loodrecht naar beneden storten op zoek naar de talrijke vissen en een 3km lange klim over rotsen naar de overblijfselen van een oud indianendorpje. Slapen doen we 2 dagen in een hangmat en we zijn niet de enige. De hangmatten zijn zo opgehangen dat Flip 2 dagen lang regelmatig de kont van zijn buurman tegen de zijne voelt zwaaien. Deze enorm mooie dagen sluiten we af in een klein dorpje Taganga, vlakbij Santa Marta. Na de zonsondergang in de baai eten we in een hostel met restaurant een supermenu van een franse kok. Het leven is mooi.
Na bijna een maand in Colombia is het tijd om Lorica te bezoeken, een stadje waar helemaal niks te doen is maar waar Flip in 2007 een maandje bij een familie in huis heeft gezeten. Bij aankomst worden we hartelijk ontvangen en krijgen meteen onze slaapplaatsen aangewezen. Alle vrienden van toen zijn er weer bij en we hebben een aantal heerlijke dagen op terrasjes en op het strand in een verderop gelegen dorpje. Vooral aan de locale danskwaliteiten kan niet getipt worden (schudden met die dikke billen!!)
Zoals jullie wel merken voelen we ons helemaal thuis in Zuid Amerika, zo erg dat we niet in de gaten hadden dat het laatste verslag alweer een dikke maand geleden was. We beloven beterschap.
Ps. 1 De telefoons werken niet in Colombia, dus smsjes komen niet aan
Ps.2 De flickrwebsite is weer bijgewerkt; http://www.flickr.com/photos/55054374@N07/ voor foto's en filmpjes
Cambodja
Onze eerste kennismaking met Cambodja is Phnom Penh. Wat meteen opvalt is dat je niet om de geschiedenis van dit land heen kan. Na jaren van oorlog heeft het regime van Pol Pot tussen 1975 en 1979 zo'n 1.7 miljoen mensen vermoord (22% van de bevolking). Toen ze de aftocht moesten blazen hebben ze nog jarenlang op vele plaatsen landmijnen gelegd. Deze mijnen (en niet afgegane amerikaanse bommen in het oosten) hebben nog veel slachtoffers gemaakt die wijzend op het gebrek aan 1 of meerdere ledematen om een financi ële bijdrage vragen.
De rest van 2010 en oud en nieuw zijn we in Sihanoukville, een redelijk toeristisch kustplaatsje met mooie stranden. Een hotel vinden is lastig want zo vlak voor oud en nieuw is alles al goed volgeboekt. We brengen de dagen lui door op het strand en eten veel van de visbbq vergezeld met de nodige biertjes op het strand. En dan is het opeens oud en nieuw. Dit vieren we op een eiland 1,5 uur varen vanaf Sihanoukville. We komen hier nog wat mensen tegen van de tour in Halong Bay en ook een aantal mensen die ons vergezeld hebben op de Mekong Tour zijn van de partij. Als we ‘s ochtends terugkomen in het hotel blijken ze een nieuwjaarscadeau aan ons gegeven te hebben, in de vorm van 11 dode kakkerlakken in de kamer (nee, we waren niet zo dronken dat we 10-dubbel scheelkeken). Het kon de manager niet zo interesseren.
Kampot is een klein en rustig plaatsje aan de kust, dat vooral als uitgangspunt dient voor een bezoek aan Bokorhill. Bovenop deze heuvel staat een verlaten hotel/casino met de een schitterend uitzicht over de omgeving. Sinds eind jaren zestig, toen de Khmer Rouge dit gebied veroverde, staat het casino leeg en eind jaren zeventig is er nog een flink robbertje gevochten tussen de Rode Khmer en de Vietnamesen. Op dit moment hebben de chinezen de heuvel opgekocht (net zoals vrijwel alle onbewoonde eilandjes aan de kust) en zijn ze een nieuwe weg aan het maken. Uiteraard liggen er plannen om de hele heuvel vol resorts te bouwen (wederom zoals op de eilanden).
Voordat we terug naar Phnom Phen gaan bezoeken we nog Kep en haar omgeving met peperplantages en zoutvelden en scooteren we naar een afgelegen strandje. Eenmaal terug in Phom Penh hebben we allebei al een boek gelezen over de geschiedenis en zijn we klaar voor wat bezichtigingen. We bezoeken een oud schoolgebouw dat door de rode khmer omgedoopt werd tot gevangenis. Hier werden 10 duizenden mensen (ook vrouwen en kinderen) gemarteld totdat ze bekenden een tegenstander van het regime te zijn. Op het moment dat de vietnamesen de rode khmer verslagen hadden vond de gevangenisdirecteur het belangrijker om zijn laatste 14 gevangennen te vermoorden in plaats van het enorme archief te vernietigen. Een deel van dit bewijs (foto's van gevangenen en briefuitwisselingen) zijn nu terug te vinden in dit museum. Nadat een gevangenen hadden ‘bekend' en mits nog steeds in leven werden ze vervoerd naar een plek zo'n 15km buiten de stad, nu beter bekend als de killingfields. Centraal op deze plek staat een torenhoog monument vol met opgegraven overblijfselen van de mensen die hier vermoord zijn. Het monument is omringd met ondiepe kuilen en bordjes als ‘verboden op het massagraf te lopen en ‘tegen deze boom sloeg men de babies dood' (ze waren namelijk bang dat wanneer deze volwassen werden, ze wraak wilden op het regime).
Na deze zware kost reizen we naar Mondulkiri voor wat natuur. We gaan samen 3 dagen op pad met onze lokale gids Hong. Hong is 29, woont samen met zijn vrouw, 5 kinderen en schoonmoeder in een hutje van 25m2 in een afgelegen dorpje. Hij is parttime gids, parttime boer en parttime jager (al mag hij dat laatste niet meer doen van de tourorganisatie). De 1e dag trekken we naar zijn dorp om daar in zijn hutje met de familie te overnachten. Onderweg stopt hij regelmatig en bekijkt sporen van dieren of kapt wat struiken waarvan hij de steel meeneemt die we ‘s avonds in de soep terugvinden. Aangekomen in het dorp douchen we bij een door het rode kruis gefinancierde pomp die aan de rand van het dorp staat. Eerst water oppompen en dan de emmer over je heen kieperen. Basic maar het werkt. De 2e dag staan we op en staat er 50 meter verderop een olifant te wachten op zijn werkdag. In deze regio is de olifant nog altijd het voornaamste transportmiddel voor de boeren. Het lopen is relaxter met stops bij afgelegen watervallen. Onderweg plukt hij weer vanalles uit de bossen voor het avondeten. Tegen 4 uur bereiken we een waterval, hangen de hangmatten op voor de overnachting en maken een vuurtje voor het avondeten. Het eten smaakt goed en is ruim voldoende maar onze Hong zit in de natuur en hoort allerlei geluidjes om zich heen. 'lust je kikker?' vraagt ie. 2 minuten later hangt er een kikker aan een stokje boven het vuur en even later volt er nog 1. We hadden al gemerkt dat Hong niet zo van de gebaande paden houdt, maar Dag 3 maakt hij het wel erg bont. We lopen ongeveer 400 meter per uur terwijl hij zich een pad door de jungle hakt. Op de vraag of hij hier vaker loopt, krijgen we na een verlegen glimlach: '1x, 3 jaar geleden'. Vermoeid maar voldaan komen we tegen de avond terug aan in het dorpje.
In Koh Kong raken we voor de 3e keer tijdens onze reis de thaise grens aan zonder er overheen te gaan. We zijn hier om het enorme mangrovebos te bezoeken en voor een tochtje naar Koh Kong island en weer een drijvend vissersdorpje. We willen dwars door de Cardomom mountains door naar Battambang, een tocht van zo'n 250km die 2 dagen zou duren. Aangezien de weg enorm slecht is of helemaal niet bestaat gaan er sowieso geen bussen maar er schijnen mensen te zijn waarbij je achterop de scooter kan. Na veel rondvragen in Koh Kong (en veel gezichten die kijken alsof je gek bent) is er uiteindelijk 1 iemand die het wel wil doen, maar dan voor de prijs van een paar maandsalarissen. Als alternatief pakken we maar de bus via (alweer) Phnom Penh, een volle dag reizen.
In Battambang zijn we maar kort en we starten de volgende dag met een bezoekje aan een krokodillenfarm. Hier worden krokodillen gefokt (ongeveer 600 per locatie) en op basis van leeftijd van elkaar gescheiden gehouden. Ze krijgen 1x per maand te eten, ongeveer 4kg aan vis. Nu zijn de fokkerijen al helemaal vol waardoor de nieuwe eieren aan Vietnam verkocht worden en de oudere krokodillen (na 45 zijn ze niet meer vruchtbaar) geslacht worden. Het vlees eten ze zelf op, de huid gaat naar Thailand. We tuffen door naar Phnom Sampeau, een tempelcomplex op de top van een berg net buiten de stad. Indrukwekkender dan de tempel zelf zijn de ‘killingcaves'. Een grot die door de Khmer Rouge gebruikt werd om ‘tegenstanders' te laten verdwijnen. Volwassenen werden langs 1 kant levend en vastgebonden naarbeneden gegooid, kinderen langs een andere kant. Nu staat er in de grot een klein monument (met overblijfselen van enkele slachtoffers) ter nagedachtenis aan deze gebeurtenissen. We sluiten de dag luchtiger af met een bambootreintje die naar een dorpje 8km verderop gaat. Het treintje bestaat uit 2 setjes wielen, een plateau van bamboo van 4m2 die je op de wielen legt en een grasmaaiermotor de het geheel in gang moet zetten. Er is maar 1 rails dus bij tegenliggers moet het ‘treintje' met de minste passagiers de boel van de rails afhalen (ongeveer 5x gebeurd).
We pakken maar weer eens een boot, ditmaal naar Siem Reap wat als uitvalsbasis dient voor Angkor Wat. De tocht duurt 9 uur en de rivier is in het begin niet meer dan een ondiepe sloot waardoor de motor regelmatig door de modder maalt en we meer dan 10x de wal in varen. Uiteindelijk komen we heelhuids aan. Siem Reap zelf is enorm toeristisch (wat als voordeel heeft dat je wel de australian open op groot scherm kan zien) en deze mensen gaan allemaal naar de tempels. De komende drie dagen bezoeken we de tempels per fiets en 1 dag gaan we per tuktuk naar Beng Melea, een complex 65km verderop waar je over de rotsblokken heen kan klauteren. Eenmaal in Angkor Wat mag Ine niet door naar boven omdat ze niet gepast gekleed zou zijn met een rokje tot op de knieen (minibroekjes en bijna topless mag wel door). Hoewel het geheel indrukwekkend is zijn we na 2,5 dag aardig tempel moe en kiezen we voor een zonsondergang in de tempelbar in pubstreet.
De laatste dagen in Azië spenderen we in Bangkok. Het guesthouse dat we hebben uitgezocht blijkt een transexuelenoord te zijn, waardoor we de 2e dag maar verhuizen. In Bangkok doen we absoluut niets behalve ontspannen. We spreken 2x met Jeroen en Eveline af (die ook nog eens 2 bankpassen voor ons meenemen) en hebben met hen superleuke avonden. Geweldig om jullie daar ontmoet te hebben!
En dan op 28 januari uiteindelijk de lange reis naar Bogota, Colombia via Beijing en New York. De reis duurt in totaal 36 uur en we vliegen 12 uur in de tijd terug. Uiteraard gaat de reis niet zonder slag of stoot. Bij het inchecken in Bangkok blijkt dat we voor de 2 uur in New York toch echt een visum nodig hebben. Deze is via internet aan te vragen en kost 14 dollar pp (ze moeten iets om dat begrotingstekort weg te werken daar) en is uiteraard alleen via creditcard te betalen (die we nog steeds niet hebben vanwege het inmiddels befaamde skimmen van onze passen). Een kwartier voordat de incheckbalie sluit wordt gemeld dat we niet eens naar Beijing kunnen als we het visum niet meteen via internet betalen omdat het ‘systeem' alles blokkeert. We zitten inmiddels op een behoorlijk hoog stressniveau. Gelukkig neemt de pa van Flip zijn telefoon meteen op en kunnen we via zijn creditcard de visa betalen. 3 minuten voordat de incheck sluit hebben we onze tickets. Van de adrenaline komen we de 1e vlucht van 4,5 uur wakker door. Na 6,5 uur wachten in Beijing vliegen we in 13,5 uur naar New York waar ons weer een verassing wacht. Geen backpack van Ine, die hebben ze in Bangkok laten liggen. Uiteindelijk zijn we goed in Bogota aangekomen en hebben we 5 minuten geleden bericht gekregen dat ze na 3 dagen vanmiddag de backpack bij het hostel afleveren!
De eerste dagen in Zuid Amerika bevallen ons erg goed. Wekomen bij van onze reis enkunnen zelfs de jetlag al aardig de baas.Maar hierover later meer!